← Content: PreviousContent: Next →


Back to top ↑
[blanco]

[blanco]

[blanco]

V. VOLGHEN TOT VULLINGHE VANDE LEDIGHE PLAETSE,
SOMMIGHE STICHTELIJCKE BEDENCKINGHEN. 1

Aestivae nives, hybernae rosae. 2
Veel Elefanten buyck, met hongers noot beladen,
Can eenen bosch alleen met zijn gewas versaden;
Een cleyne water-beeck haer brandich dorsten blust,
De bloemkens en het gras is t'bedde van haer rust.
Des weerelts rijcken schoot, den grooten cloot der eerden,
De snel-gheswinde lucht, de zee van grooter weerden,
T'wert al rontsom doorsocht, door-loopen, en door-gront,
En noch en can het niet voldoen eens menschen mont.
Men heeft des somer-daechs, in ijs en snee behaghen,
Men wou den stueren vorst wel roosen leeren draghen:
Is t'vleys in overvloet, naer visch is datmen haeckt;
En niet, dan datmen niet en can becomen, smaeckt.
Het leven is den mensch niet om de spijs ghegheven,
Maer spijse dient ghenut tot onderhout van t' leven.
Wech dan verkeerde lust: den buyck is haest versaet.
Laeft, u mijn ziel, met spijs die nimmermeer vergaet.

Quod petis, intus habes. 3
Men houft geen meerder cracht in handen, leden, sinnen,
Als om sijn eyghen selfs te connen overwinnen?
Den mensch, wie dat hy zy, en dient geen meerder goet ,
Als om, met God, in rust te stellen sijn ghemoet.
Ten waer ons niet van nood naer meerder vreught te jaghen,
Indien een yder cond' sijn eyghen gheest behaghen.
Gheen wetenschap is nut, wat leertmen jaer aen jaer?
Als om sijn eyghen selfs te kennen gansch en gaer.
Wat looptmen dan soo verr', en sweeft met alle winden?
Al watmen buyten soeckt, is binnen ons te vinden:
Vrient wildy wesen sterck, rijck, vroylijck , en gheleert ,
En soeckt niet hier of daer; maer u tot uwaerts keert.

Nascentes morimur . 4
Ons leven is hier niet als sieckten en cranckheden,
Verswackend' elcke reys des lichaems broose leden:
Elck sieck zijn is den mensch ghelijck een cleyne doot,
En stout ons vast al heen na Charons swarten boot.
Moet dan des menschen vleesch hier eens int graf bederven,
Soo laet ons metten gheest gheduerichlijcken sterven.
Om wel te sterven ist, dat yder mensche leeft;
Om wel te leven ist, dat t'leven ons begheeft.

Malo gaudere, malum pessimum . 5
Een gruwel zijn voor God, ons sonden en gebreken;
Maer gruwelijcker ist, daer in te blijven steken:
Noch ergher doet den mensch, die vroylijck daer in leeft;
En in zijn quaden wech, een welgevallen heeft.
Maer op der sonder pad zijn dees wel verst ghecomen,
Die hun, met vollen mont, der booser streken roemen.
Can ick van sonden niet vry houden mijn ghemoet,
Om dat ick ben een mensch bestaend' uyt vleesch en bloet,
Van vast int quaet te staen, van t'schandelijck verblyden,
Van des draghen roem, wil ick my immers myden,
Mits dat ick ben een mensch vernieut door Christi soen.
Du gheefst my God den wil, o gev' oock het voldoen.

Nunquam erit foelix, quem torquebit foelicior. 6
In blyschap wil ick niet soo hooghe zijn gheseten,
Dat ick daer deur mijn God sou comen te vergeten.
'k En wil ooc niet soo verr' in-laten druck en rou,
Dat ick myn eyghen self daer door vergeten sou.
Ic merck dat niemant is door voorspoet soo verheven,
Dat hem, naer synen wensch, hier alles wert ghegeven:
Ic sie ooc dat geen mensch soo ongheluckich leeft,
Die niet soo dit soo dat tot syn gherief en heeft.
Wel dan, wat gaet my aen? waerom ist dat ick wensche
Te zyn van beter staet als is myn even mensche?
Het best en hebdy niet, oock niet het quaetste lot;
Vernueght u dan, myn hart, en danct den milden God.

Votum . 7
Wat is doch cruyt of spruyt , als wy aensien de dieren
Die crielen door de lucht, door velden en rivieren?
En wederom, wat is een domm' of stomme beest
Als ons comt in den sin des menschen hooghen gheest?
Wat is den mensch , als wy t'groot aertrijck gaen bemercken?
Wats t'aertrijck soo wy t'ooch slaen op des hemels wercken?
Wat is den hemel doch, als ons ghemoet aensiet
Hem die cruyt, beesten, mensch, aerd', hemel schiep uyt niet?
Niet, om sich sellefs wil, wil ick dan eer bewijsen;
Maer alle dinck in God verwonderen en prijsen,
En God in alle dinck. o God, stuer myn ghedacht
Dat, buyten dy, myn ziel voortaen gheen dinck en acht.
FINIS.


Back to top ↑

Translations


Back to top ↑

Literature


    Back to top ↑

    Sources and parallels


      Back to top ↑

      References, across this site, to this page:

      No references to this emblem or page found.

      Back to top ↑

      Iconclass


        Back to top ↑

        Notes

        1
        De volgende zes gedichten staan op p. [O2v-O4r].
        2
        Motto: 's Zomers sneeuw, 's winters rozen.
        3
        Wat je zoekt, heb je [binnen] in je. Vgl. embleem XXV.A.2, r. 6.
        4
        Motto: Bij onze geboorte sterven wij al. Citaat afkomstig uit Manilius, Astronomica , IV, 16, waar de regel als volgt verder gaat: 'finisque ab origine pendet' (en ons einde is bepaald door ons begin). Ed. G.P. Goold. Cambridge, Massachusetts etc. 1977, 222-223 (LCL). Vgl. ook Walther 3, 15, nr. 15890.
        5
        Motto: Het grootste kwaad is zich in het kwaad te verblijden.
        6
        Motto: Wie door andermans geluk gekweld wordt, is nooit gelukkig. Aangehaald bij Gruterus, zie: Walther 8, 873, nr. 39116e.
        7
        Motto: Gebed.